The star in the dark
Homepage
Onze diensten    < <
Vacatures
Nieuws
Agenda
Hoe het begon..
Een Pasar Malam?
Foto's & video's
JB-teacher
Huurlijst apparatuur
Verkoop
Occasions
In het licht gezet
Veelgestelde vragen
Gastenboek
Links
Contact

Weerstand

Stroom neemt altijd de weg van de minste weerstand. Op een apparaat correct te kunnen laten werken, moeten we er voor zorgen dat de stroom niet een kring kan maken met een veel lagere weerstand. Als voorbeeld: wanneer we twee elektriciteitsdraden, met een spanningsverschil, direct tegen elkaar komen te liggen zonder isolatiemateriaal, hebben we te maken met een gelijkende situatie. De stroom zal rechtstreeks van de ene draad naar de andere gaan, in plaats van eerst zijn weg door het apparaat te zoeken.

De weerstand die een draad heeft zal energie tegen houden, en die energie zal worden omgezet in warmte. Als die warmte gemakkelijk afgevoerd kan worden, omdat de kabel zich in een goed geventileerde ruimte begeeft, zijn er geen problemen. Als de warmte niet afgevoerd kan worden kunnen er gevaarlijke situaties ontstaan. We kunnen dus ook de conclusie trekken dat slecht geleidende kabel en slechte connecties tot warmte ontwikkeling kunnen leiden.

Wanneer we stroom door een draad laten lopen zal deze van de draad weerstand ondervinden. Daardoor ontstaat dan tevens een spanningsverlies. Hoeveel weerstand de stroom ondervindt is afhankelijk van het soort materiaal. Ieder materiaal bezit een eigen weerstand, de zogenaamde soortelijke weerstand. Dit is een constante waarde die voor bijvoorbeeld koper, dat het meest gebruikte materiaal voor elektriciteitskabels is, 0,0175 bedraagt. Wanneer we de precieze weerstand van een kabel van een bepaalde lengte en dikte willen weten, moeten we de waarde van de soortelijke weerstand vermenigvuldigen met de lengte van een kabel (in meters) en delen met de doorsnede (in mm2).

Een voorbeeld: een koperen draad heeft een lengte van 10 meter en een dikte van 1 mm2, dan is de weerstand in die draad (10 x 0,0175): 1 = 0,175 Ohm. Om het spanningsverlies te kunnen bepalen moeten we gebruik maken van een formule, de zogenaamde Wet van Ohm. De Wet van Ohm luidt als volgt: U = I x R. Bij een stroom van 5 Ampère is het spanningsverlies 5 x 0,175 = 0,875 Volt. Dit is bij een spanning van 230 V zeer gering en nauwelijks merkbaar. Maar wanneer de stroomsterkte niet 5 maar 64 Ampère is wordt het verlies 64 x 0,175 = 11,2 Volt. Op dat moment hebben we te maken met spanningsverlies van meer dan 5 %. Een verlies van 2 % (= 4,4 Volt) is bij lampen al duidelijk zichtbaar. Bij het gebruik van kabels is het daarom van belang goed in de gaten te houden dat de juiste dikte en lengte gebruikt worden bij een bepaalde stroomsterkte en -spanning.

Voor de warmte, die door een elektrische stroom in een materiaal dat weerstand geeft ontwikkeld wordt, geldt de Wet van Joule: Q = I2 * R * t ; waarbij Q de hoeveelheid warmte is, I de stroomsterkte, R de weerstand en t de tijdsduur. Van de factoren stroomsterkte, weerstand en tijdsduur hangt dus af hoeveel warmte zich ontwikkelt.

Maar de elektriciteitskabels die in het theater gebruikt worden zijn normaal gesproken omgeven door een kunststof omhulsel dat de warmte juist vasthoudt. Daarnaast liggen die kabels dan ook nog vaak ergens in of onder, zijn ze ergens omheen gedraaid of opgewonden, en is de omgeving van zich zelf al tamelijk warm. Daarom kan het nogal eens gebeuren dat de temperatuur in een kabel kan oplopen tot boven 150 graden op het moment dat hij overbelast wordt. Bij zulke temperaturen zal het isolatiemateriaal smelten, zodat kortsluiting en brand kunnen ontstaan.

Ook weerstand die de stroom ondervindt door slechte contacten in het stroomcircuit, zoals bijvoorbeeld vuile of te dunne contacten van stekkers, kunnen tot behoorlijke warmte-ontwikkeling leiden. Normaal gesproken worden de lengte en dikte van een kabel zodanig gekozen worden dat het spanningsverlies nooit meer dan 2 % is.

 

Download: Weerstanden

 

 

 

© By JBtec Productions 2008-2012  | info@JBtec.nl